ONDERZOEK, KENMERK LK/6026

 


 

 Bergen op Zoom, 22 juni 2006    

 

Aan het College van Burgemeester en Wethouders

der Gemeente Bergen op Zoom

Postbus 35

 4600 AA Bergen op Zoom

 

Betreft: onderzoek, ons kenmerk LK/6026

  

Geachte College,  

Met genoegen, verbazing en verbijstering heb ik vanmorgen uit de pers kennis genomen van Uw voornemen om te komen tot een “eigen onderzoek sporthallen”.

Met genoegen omdat Uw College de noodzaak tot een onderzoek erkent.

Met verbazing dat Uw College zelf tot een onderzoek wens te komen naar de handelswijze van Uw ambtsvoorgangers, inhoudende o.a. de relatie tot het ambtelijk apparaat waaraan zij geacht werden leiding te geven.

Met verbijstering dat U een eventueel initiatief van de raad op deze wijze tracht te voorkomen. 

Een onderzoek naar de handelswijze van het ambtelijk apparaat past in de onderzoeksbevoegdheden van Uw College ex art. 213a GW (doelmatigheid en doeltreffendheid).

Het nu door Uw College aangekondigde onderzoek bevat, als het goed is (de opdracht-/onderzoeksformulering is de raad tot op heden onbekend), de handelswijze van een onderdeel van het ambtelijk apparaat en de interactie van dat deel met de bestuurlijk verantwoordelijken, in casu Uw College, maar vooral Uw ambtsvoorgangers.

Het komt de BSD-fractie voor dat het bij uitstek de raad dient te zijn die het handelen van Colleges in relatie met het ambtelijk apparaat onderzoekt. De formulering van artikel 155a GW strekt daar ook toe. 

Voor het gemeentelijk imago zou het goed zijn als de raad een dergelijk onderzoek instelt. Een College en ambtelijk apparaat wat mede zichzelf c.q. haar ambtsvoorgangers onderzoekt, kan wellicht de verdenking op zich laden dat het onderzoek mede andere doelen dient dan helderheid te verschaffen. Met de dualisering alsmede de bevoegdheden verbonden aan een raadsonderzoek ex artikel 155a GW zal voor het publiek en bedrijfsleven helder maken dat aan onderzoekscriteria als openbaarheid, helderheid, transparantie, onafhankelijkheid en objectiviteit in het licht van wet en regelgeving, middels de uitoefening van de controlerende taak van de raad optimaal inhoud wordt gegeven.

Juist bij dit soort aantijgingen, zoals gedaan in het krantenbericht van 20 juni, is het noodzakelijk dat wordt vastgesteld wat de ‘feiten’ zijn, zonder dat nadien gerede twijfel kan ontstaan over die ‘feiten’.

Als reeds in een raadscommissie is aangegeven dat een deel van de raad mogelijk de behoefte heeft aan een raadsonderzoek, is het op zijn zachtst gezegd, onhoffelijk om dit mogelijk initiatief onder de tafel te werken door zelf een onderzoek aan te kondigen naar Uw eigen handelen c.q. dat van Uw ambtsvoorgangers. 

De wittebroodweken van duaal en open werken schijnen voorbij te zijn. 

Uw reactie afwachtend. 

Met vriendelijke groet,

Namens de BSD fractie,  

Louis van der Kallen

 


 

 

Boekenlegger op de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *