WERKGROEP WATER, KENMERK: LK80054

 


 

Bergen op Zoom, 17 mei 2008

 

Aan de werkgroep water van de Gemeenteraad van Bergen op Zoom 

 

Betreft: stukken werkgroep water, kenmerk: LK80054

 

Beste collega’s, 

Ik kan helaas niet aanwezig zijn bij de vergadering van 19 mei, toch wil ik enkele stukken van commentaar voorzien. 

In het stuk “Waterkwaliteit in het Zoommeer en Binnenschelde” wordt op pagina 1 vermeld: ‘alleen zout water, met zoveel mogelijk dynamiek, blijkt effectief te zijn’. Dit is niet geheel juist. Juist is dat van de onderzochte scenario’s alleen de zoute effectief bleken. 

Ten aanzien van de “Quick-scan Nautische mogelijkheden en waterkwaliteit Binnenschelde” een paar bemerkingen: 

– In de tabel 2.1 mis ik de zoete kwel in de Binnenschelde. Naar mijn kennis is er enige zoete kwel van hoge kwaliteit. 

– Tevens wil ik de risico’s benadrukken van de opkomst van zeegras. Op pagina 5 is dat risico slechts aan getipt in de zin: “Om ongewenste groei van onder andere zeegras tegen te gaan is een twee keer zo hoge concentratie gewenst (>16.000 mg/l). Dit is een concentratie die met doorspoeling vermoedelijk niet of zeer moeilijk is te halen. 

– Op pagina 6 wordt gesproken van “een onuitputtelijke bron van P.” Dit is een te boute stelling. Nalevering van fosfaat kan zeer lang duren maar is per definitie eindig. Uit afbeelding 2.5 blijkt ook een licht dalende trend. 

– Op pagina 7 is gesteld dat algen zowel stikstof als fosfaten nodig hebben. Dat is juist. Maar licht en warmte zijn ook groeifactoren. 

– Op pagina 8 wordt inzake de doorzichtnorm gesteld: “Deze norm wordt het grootste deel van de tijd onderschreden.” Hoewel juist, is de zin toch wel enigszins misleidend. Feit is dat de norm slechts één keer op de circa honderd bepalingen (de laatste 10 jaar) niet is gehaald. Dus in plaats van het ‘grootste deel van de tijd’ is ‘bijna altijd’ meer op zijn plaats. 

– Goed is dat op pagina 9 middels de zin: “Maar tevens is geconstateerd dat hier nog risico’s aan kleven en de consequenties van deze maatregelen groter en verderstrekkend zijn dan aanvankelijk was voorzien. Een zoet systeem is dan ook zeker nog niet uitgesloten.” is aangegeven dat de consequenties van ‘zout’ groot zijn en de discussie en besluitvorming nog niet zijn afgerond. Wat mij in die alinea bevreemd is dat men stelt: “Het handhaven van een zoete Binnenschelde is echter niet haalbaar wanneer het Zoommeer zout wordt, omdat de Binnenschelde afhankelijk is van Zoommeerwater om het meer op peil te kunnen houden.” Nu is dat zo. Maar bij mijn weten is nog niet onderzocht of er andere bronnen van zoetwater beschikbaar kunnen komen (de Zoom, de Molenbeek en misschien via dezelfde zoetwatervoorziening als die men voor de landbouw zou moeten creëren als het Zoommeer zout zou worden). Ik onderschrijf dus niet op voorhand de stelling op pagina 10, dat het handhaven van een zoet systeem in de Binnenschelde enkel mogelijk is wanneer het Zoommeer ook zoet blijft. 

– Met belangstelling de beschrijving van de proeven met chemische binding gelezen. 

– In de paragraaf 3.4 (pagina 12) zit iets raars. Wat eet witvis (aasgarnalen en/of watervlooien)? Tekst lijkt strijdig. 

– Mijn optimisme over driehoeksmosselen acht ik bekend. Ook de andere zoete varianten, wel of niet gecombineerd, spreken mij aan. 

– Ook meer diepte is een optie die mij aanspreekt, omdat het gewonnen zand mogelijk elders te gebruiken is of gebruikt kan worden om een deel van de Binnenschelde te dempen met alle financiële mogelijkheden van dien. Diepte geeft meet temperatuur demping en minder licht in delen van het watervolume en daarmee remming van algenbloei. 

Hopelijk kunnen jullie deze bemerkingen meenemen in de overwegingen.

Met vriendelijke groet, 

namens de BSD-fractie, 

L.H. van der Kallen 

 


 

 

Boekenlegger op de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *