TOERISTENBELASTING, KENMERK LK/90049

 


 

Bergen op Zoom, 13 oktober 2009    

 

Aan het College van

Burgemeester en Wethouders

der Gemeente Bergen op Zoom

Postbus 35

4600 AA Bergen op Zoom

 

Betreft:  Toeristenbelasting, ons kenmerk LK/90049

 

Geacht College, 

Ons tarief van de toeristenbelasting (€ 1,10) behoort tot de hoogste van onze provincie.

Wat echter tot een absurde belasting leidt is de uitwerking van de forfaitaire heffing van deze belasting. Hierbij heft de gemeente niet naar het werkelijke aantal overnachtingen, maar naar het aantal slaapplaatsen in een voorziening. Hierbij kan de heffing oplopen tot circa 25 % van de prijs van een seizoenplaats en tot meer dan 30 % voor een voorseizoenplaats. De BSD-fractie kan zich niet voorstellen dat een dergelijke belastingdruk de bedoeling was van de gemeenteraad.

Sommige gemeenten in Noord-Brabant heffen een percentage van de betaling voor een toeristische accommodatie. Voorbeelden daarvan zijn Bergeijk (2,75%), Alphen Chaam (3,1 %) en Cuijk (3,5%).

De huidige wijze waarop de forfaitaire heffing tot stand komt, blijkt een ernstige aantasting van de concurrentiepositie van de campings in onze gemeente. Toen het tarief relatief laag was (€ 0,39 euro) was de uitwerking van dat tarief in de forfaitaire heffing nog draagbaar. Toen het tarief in 2008 naar € 1,– ging en in 2009 weer stevig werd verhoogd (10%) leidde de uitwerking van de forfaitaire heffing voor  campingbedrijven tot een dermate aantasting van hun exploitatie dat doorrekening van deze verhoging onvermijdelijk werd. Met als gevolg een toenemende leegloop.

De wijze van berekening naar het aantal slaapplaatsen, ongeacht het gebruik daarvan ging door de extreme verhoging nog meer knellen. 

–         Is het college bekend met voornoemde gevolgen van het tarief van onze toeristenbelasting en met de gevolgen van de wijze waarop binnen onze gemeente de forfaitaire heffing tot stand komt?

–         Naar de mening van de BSD-fractie dient de tariefstelling bij een forfaitaire heffing een zodanige uitwerking te hebben dat de uiteindelijke heffing van een niveau is dat de feitelijk heffing soortgelijk is aan de heffing op basis van aangifte. Hoe is de tariefstelling van de forfaitaire heffing onderbouwd?

–         Is het college met de BSD-fractie van mening dat een strak doorgevoerde heffing per beschikbare slaapplaats er toe leidt dat met name de eigenaren van de grotere voorzieningen onevenredig belast worden en is het college bereid de wijze van uitwerking van de forfaitaire heffing te herzien?   

Graag een spoedige schriftelijke beantwoording ex. artikel 39.  

Met vriendelijk groet, 

Louis van der Kallen

 


 

 

Boekenlegger op de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *