GOED GESPREK/ ZOET-ZOUT/ GENOEG IS GENOEG … OF TOCH NIET?/ VERZONDEN BRIEVEN

| jaar 1 | nummer 16 |

| 22-06-2014 | 17.00 uur |


 

| GOED GESPREK | 

 

warandeflatOp 17 juni had een delegatie van de gemeenteraad een gesprek met de directie van Stadlander, voornamelijk over de woningmarkt in Bergen op Zoom en omstreken en de plannen van Stadlander daarin. Voor de BSD waren Piet van den Kieboom en Louis van der Kallen aanwezig. De situatie rond de Warandeflat en Vesta kwamen kort aan bod omdat daarover nog in een toekomstige bijeenkomst apart gesproken zal worden. De directie erkende dat er misschien wel in een eerder stadium met representanten van Vesta gesproken had kunnen worden. 

Uitvoerig is stil gestaan bij de plannen en mogelijkheden van Stadlander in Bergen op Zoom. Een belangrijke beperkende hoofdlijn is de greep in de kas van de landelijke overheid. Deze beperkt Stadlander in hoge mate in haar investeringscapaciteit. De komende jaren zullen deze gericht zijn op vervangende woningbouw in de bestaande wijken. Op mijn vraag of Stadlander de komende jaren op gronden van de gemeente Bergen op Zoom zal gaan bouwen in uitbreidingsplannen als de Schelde Veste en de Markiezaten was het heldere antwoord van de directeur: nee. Dit geeft nog eens aan dat de exploitatieopzetten van de Schelde Veste en de Markiezaten op drijfzand zijn gebaseerd. Want in deze plannen is nog altijd een fors deel sociale woningbouw gepland. Als de grootste coöperatie, gericht op de bouw van woningen in de sociale sector, niet bereid is in de uitbreidingsplannen te bouwen, wie zal dat dan wel doen?

Voor de BSD-fractie was deze kennis mede de reden om in de gemeenteraad op 19 juni slechts kennis te nemen van het voorstel Jaarafsluiting Grondbedrijf 2013.

Wij stemden dan ook tegen de Jaarafsluiting Grondbedrijf 2013. Het  hoofdargument voor onze sombere gevoelens omtrent de verkoopbaarheid van gronden is de crises en onze verwachting dat deze zich voor Bergen op Zoom en onze regio, gezien de aangekondigde sluiting van Philip Morris en de verdere gevolgen hiervan voor de werkgelegenheid en de woningmarkt, zich zal verdiepen. Mede door de uitspraak van Stadlander, over het niet bouwen door hen in de uitbreidingsplannen de Schelde Veste en de Markiezaten, achten wij hantering van het ‘midden scenario’ in de woonvisie, dat als basis dient voor de grondexploitaties, niet meer realistisch en daarmee de cijfers in de Jaarafsluiting Grondbedrijf onwaarschijnlijk en onjuist. De BSD-fractie wenst niet, zoals de andere fracties, de kop in het zand te steken. Wees maar eerlijk en ga om met de werkelijkheid is ons uitgangspunt.  

Het gesprek met de directie van Stadlander was voor ons een goed en leerzaam gesprek. Nu nog een goed gesprek tussen Stadlander en Vesta. Want mensen die maatschappelijk betrokken zijn en een eigen mening hebben moet je koesteren. Zeker als ze deel uitmaken van je doelgroep.  

Louis van der Kallen

 


 

| ZOET/ZOUT |

 

volkerak zoommeerDe beslissing over een zoet of zout Volkerak-Zoommeer komt steeds dichterbij. Als lid van de onafhankelijke Ons Water/West-Brabant Waterbreed fractie in het Algemeen Bestuur van het waterschap Brabantse Delta maak ik mij al jaren druk over de mogelijke gevolgen van een eventuele verzilting. Zo ook de gevolgen voor de land- en tuinbouw en de binnendijkse natuur die zeer afhankelijk is van de beschikbaarheid van zoet water. Tot op heden wordt in de aangegeven studies alleen maar uitgegaan van de huidige behoefte van de land- en tuinbouw van zoet water en de hoeveelheden zoet water die nu via het Volkerak-Zoommeer systeem worden ingelaten.  

Tot nu toe waren we voor kennis van die mogelijke gevolgen aangewezen op de door Rijkswaterstaat aangeleverde kennis/studies, die veelal de indruk geven: ‘de zoet water voorziening is oplosbaar’ en de boeren krijgen “eerst het zoet dan het zout”.
Mijn gedachte was: leuk die voorspellingen. Maar hoe was het vroeger, voor de aanleg van de compartimentering wat het Volkerak-Zoommeer zoet maakte? Wat was de zoutindringing in onze gebieden? Dat zou een mooie indicatie zijn voor wat er nu op termijn gaat gebeuren als het Volkerak-Zoommeer weer zout zou worden.

Recent kreeg in in handen het “Rapport van de centrale commissie voor de drinkwatervoorziening 1965” met de mooie titel: “De toekomstige drinkwatervoorziening van Nederland.”, gedrukt door de Staatsdrukkerij in 1967. Ik zou zeggen een betrouwbare bron van informatie. En dat de opstellers wisten waarover ze schreven maakte voor mij de volgende zin al duidelijk (pagina 73): “Om bij de Parksluizen aan de Rotterdamse Waterweg bij vloed nog water in te kunnen laten met een relatief laag chloridegehalte zou ten minste een hoeveelheid van 700 m3/sec rivierwater langs de Waterweg moeten worden afgevoerd.” Dat stond in een rapport van bijna 50 jaar geleden! Nu met de kennis van de stijgende zeespiegel en de betere meetmethoden komen de geleerde dames en heren tot de conclusie dat 800 m3/sec. nodig is.

De commissie van toen onder voorzitterschap van Mr. E.H.J. Baron van Voorst tot Voorst waren geen domme jongens.

Uit deze rapportage blijkt dat in 1965 het boezemwater tot ongeveer de westelijke stadsgrens  van Steenbergen meer dan 5000 mg Cl/per liter bevatte. Tot een lijn die in een boog liep van Ossendrecht over Heerle, Kruisland, Stampersgat, Fijnaart en Willemstad bevatte het boezemwater 2000/5000 mg Cl/per liter. Tot een lijn die globaal liep van westelijk Roosendaal over Oud Gastel naar Klundert bevatte het boezemwater 500/1000 mg Cl/per liter. In het besef dat voor de land- en tuinbouw water nodig is met chloride gehaltes beneden de 300 mg per liter moge het duidelijk zijn dat verzilting van het Volkerak-Zoommeer de land- en tuinbouw potenties in het werkgebied van de Brabantse Delta aanzienlijk zal verslechteren en dat dit een veel grotere zoet water aanvoer nodig maakt dan tot op heden door Rijkswaterstaat wordt voorgesteld.  

Bezint eer gij verzilt! Is mijn conclusie. De zoet water voorraad in het Volkerak-Zoommeer werd ook in het advies  “Waterbeleid voor de 21e eeuw” van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw onder voorzitterschap van F. Tielrooij al van groot belang verklaard. Niet doen dus dat verzilten.  Ik kan het rapport voor iedereen aanbevelen. Het geeft een bijzondere kijk op de vernieuwingskracht van Rijkswaterstaat.

bellenschermDe laatste jaren valt met regelmaat het woord ‘innovatie’. Zo ook bij de ‘nieuwste’ kennis voor de zout terugdringing en het voorkomen van eventuele zoutlekkage door de sluizen naar het Haringvliet. Die ‘slimme’ technische jongens en meisjes hebben naar hun zeggen daar de modernste technieken voor ontwikkeld zoals een bellenscherm. Laat nu in het rapport uit 1965 al vermeld worden dat er onder andere een onderzoek loopt naar de toepassing van “luchtbel-schermen”! Hoezo zijn ze innovatief?  Hoezo zijn ze daadkrachtig? Een techniek die al 50 jaar bekend is wacht nog steeds op uitgebreide toepassing. Als straks bij verzilting de zout indringing veel ernstiger is dan uit de huidige rapporten blijkt, kunnen wij en onze boeren lang wachten en dan is het niet “eerst het zoet en dan het zout” maar zitten we gewoon met de gebakken peren.    

U kunt hier het rapport “Waterbeleid voor de 21 eeuw” lezen:  63858537-Waterbeleid-voor-de-21e-eeuw

Louis van der Kallen 

 


 

| GENOEG IS GENOEG …. OF TOCH NIET? |

 

Wat brengt sommige bestuurders zover om zich schaamteloos te verrijken over de rug van de samenleving en wat kan hier tegen gedaan worden. Geld maakt niet gelukkig, geld is het slijk der aarde, met geld is alles te koop, geld corrumpeert,  geld erotiseert. Zo maar een aantal verschillende  gezegden die bestaan. Wat ze gemeen hebben is dat ze aangeven wat geld met je kan doen en wat je met geld kunt doen. Wat van toepassing is op wie, zal per persoon verschillen. Eén ding is zeker: bij de meeste mensen speelt geld een belangrijke rol. Of het hebben ervan of het ontbreken ervan. 

Uit het jaarlijkse onderzoek  van Elsevier en Berenschot  wie verdient wat over 2013 blijkt weer dat er grote verschillen bestaan in het inkomen dat werkenden verdienen of in ieder geval ontvangen. Het varieert van gemiddeld € 20.000,- tot € 13.157.925,- per jaar bij een full-time functie. Vorig jaar zijn een aantal topmanagers in de zorg gezamenlijk 19 procent meer gaan verdienen volgens het rapport van de WRR. Het verschil in vermogen tussen rijk en arm is drastisch toegenomen de afgelopen jaren ondanks de crisis. 

Waarop zijn de verschillen in beloning nu gebaseerd? Is dat een kwestie van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, de verantwoordelijkheid die men draagt in een functie of de specifieke kennis en vaardigheden waarover men moet beschikken, de opleiding die men heeft genoten, de persoonlijke risico’s die men loopt? Of zijn er wellicht andere mechanismen die de hoogte van een beloning bepalen? Het is in ieder geval bij een groot aantal beloningen niet helder hoe ze zijn opgebouwd en bepaald. In het vrije bedrijf  bij ondernemingen als Shell, Unilever, Ahold enz. wordt de hoogte van de beloning bepaald door een te veronderstellen rendement door de inzet van de top. Hierbij wordt doorgaans een relatie gelegd tussen prestaties en de hoogte van de beloning. Als een bedrijf of concern voor bijvoorbeeld een CEO een hoge beloning over heeft, is dat hun keuze in het afwegen en bepalen van de te behalen bedrijfsresultaten(winst). Hierbij speelt de wet van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt een bijna alles bepalende rol. Het benoemen van medewerkers en daarbij afgesproken beloningen wordt hierbij gezien als investering, nodig om een positief bedrijfsresultaat en economisch rendement te bereiken. Of dit ethisch verantwoord is?  

Maar het wordt anders als organisaties met maatschappelijk kapitaal werken. Organisaties die met middelen van de overheid, opgebracht door de belastingbetaler, of met geld dat is betaald door de huurder of de verzekerde werken. Hierbij kunnen de criteria en mechanismen die bij marktpartijen in het vrije bedrijf gelden niet van toepassing zijn. Ondanks de ingevoerde marktwerking in de non-profit sector en het op afstand plaatsen van dit soort gouvernementele organisaties, is er in de praktijk nauwelijks sprake van een concurrerende markt waarin zij opereren. Sterker nog, er is in de praktijk vaak sprake van een zekere monopolie van de organisatie(s), door de vele fusies die hebben plaatsgevonden in de zorg, onderwijs, woningcorporaties. En toch blijkt er in de praktijk steeds meer sprake te zijn (geweest) van een wijze van belonen bij deze maatschappelijke organisaties, alsof het vrije marktpartijen zijn. 

Waar komt deze scheef gegroeide situatie nu vandaan? Waarom worden/werden er de afgelopen decennia zo vaak exorbitante beloningen betaald in deze sectoren? Wat drijft mensen om zonder enige schaamte of terughoudendheid dit door de samenleving opgebracht kapitaal te incasseren? Wat zijn dit voor mensen? Om hier wat dieper op in te kunnen gaan kan  de behoefte-theorie van Maslow  ons misschien als steun dienen.  

Maslow-pyramideMaslow gaat in zijn theorie uit van een pyramide van behoeften. Ieder mens wordt gedreven door zijn behoeften. Eerst moet aan eerdere behoeften zijn voldaan voordat het realiseren van de volgende behoefte aan de orde kan komen. Bij het streven naar bevrediging van hogere behoeften (de groei vergroten) moet men bereid zijn de aantrekkelijkheid van de ‘veilige situatie’ te verkleinen en het gevaar van de ‘groei’ te vergroten. Bij behoefte 4 gaat het om behoefte aan (zelf)-waardering en erkenning. Hierbij spelen een gevoel van waardering voor je zelf, je succes en wie je (uiteindelijk) bent (geworden) een belangrijke rol. Maar ook de behoefte om gewaardeerd te worden door anderen zoals respect, erkenning op grond van je (vermeende) kwaliteiten en het verwerven van een bepaalde status is hierbij een belangrijke behoefte. De behoefte aan de bevrediging van behoefte 4 is zowel van toepassing op medewerkers in het vrije bedrijfsleven als in de maatschappelijke sector. Met name het hogere management streeft naar realisering van die behoefte. Daarbij hangt het van de persoon af hoe hoog hij zich zelf waardeert in relatie tot de waardering die hij van anderen verwacht. De hoogte van de beloning speelt hierbij een belangrijke rol. Maar ook het hebben van andere vormen van waardering en erkenning als een auto met chauffeur, een creditkaart, een grote beslissingsbevoegdheid enz. zijn hierbij belangrijk. Men kan zich hiermee naar buiten onderscheiden van ‘collega’s’. Een wel erg oppervlakkige en platte invulling van deze belangrijke behoefte.

Er is echter een groot verschil tussen het vrije bedrijfsleven en de non-profit-sector. In het vrije bedrijfsleven moet men eerder bereid zijn om de veilige situatie te verlaten en een groter risico te nemen bij het groeien naar een hogere behoefte. Immers het te behalen economisch rendement in het vrije bedrijf is bepalend. In de maatschappelijke sector is het willen verlaten van de veilige situatie om te kunnen groeien minder of helemaal niet aan de orde. De top van de organisatie wordt niet afgerekend op kei harde economische resultaten, maar vaak op vaag geformuleerd te bereiken maatschappelijk rendement. Hierdoor kan het (top-)management van maatschappelijke organisaties in de zorg, volkshuisvesting, onderwijs enz. hogere behoeften realiseren zonder daarbij de veilige situatie te hoeven verlaten. Dit maakt het aantrekkelijk om de persoonlijke behoeften, waaronder status en geld, te bevredigen. De behoefte aan een haast ongelimiteerde erkenning tot uitdrukking gebracht in de hoogte van de beloning leidt tot steeds hogere inkomenseisen, die in de praktijk ook vaak worden gehonoreerd. Het maakt dit type bestuurders tot zonnekoningen. Velen voelen zich hierdoor onaantastbaar en zijn overtuigd van hun gelijk bij het nemen van grote risico’s met maatschappelijk geld. Niemand houdt ze tegen. Ook de toezichthouders niet. Dat bleek deze week maar weer eens bij de parlementaire enquêtecommissie over de woningbouwcorporaties. De raden van commissarissen en –toezicht blijken in de praktijk hun eigen belangen te hebben bij het noodzakelijk toezicht houden. De samenstelling en bezetting van deze raden onttrekt zich aan het oog van de waarnemer. Volgens hoogleraar financiële geografie  Ewald Engelen zijn de verhoudingen in het ‘elite netwerk’ van CEO’s, politici en bestuurders, die de dienst uitmaken, de laatste decennia gewijzigd. Ze hebben de posities die ze hebben op de ‘hulpbronnen’ gebruikt om invloed uit te oefenen op het politieke proces. Zolang er vanuit dat ‘elite netwerk’ geen corrigerende of afkeurende reacties komen, gaan de bestuurders door op hun pad. Ze krijgen/kregen immers weinig of geen tegengas.

Zo verdedigde Erik Staal, voormalig topman van Vestia, bij de enquêtecommissie zich voor zijn onverantwoord gedrag en handelen: “Nooit had iemand het signaal afgegeven dat het bedrijf (hij dus als eindverantwoordelijke) niet juist had gehandeld”. De samenwerking binnen de organisatie, inclusief de raad van commissarissen, vond plaats op basis van vertrouwen en loyaliteit! En juist die misplaatste loyaliteit heeft geleid tot een groot aantal debacles.

Voorbeelden waarbij bestuurders hun eigen weg konden gaan om zich te verrijken zijn er genoeg: Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (C.O.A.), Vestia, Rochdale, Woningstichting Geertruidenberg (WSG).

Er zijn genoeg situaties bekend waarbij over en weer  bestuurders van de ene maatschappelijke organisatie, toezichthouder zijn bij de andere maatschappelijke organisatie. Zo behoedt men elkaar voor kritiek en kan men ongestoord doorgaan op de weg die men is ingeslagen. Feitelijk een zieke situatie. Overigens maken sommige politici zich daar ook schuldig aan. Kennelijk is de hebzucht van deze publieke figuren dermate groot dat ze bijna grossieren in dit soort goed betaalde functies. Maar ook instanties die onafhankelijk zouden moeten opereren laten zich in de watten leggen door geld en verwennerij zoals bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZO)  

Herma Wijffels (jungiaans filosoof), ‘vrouw van.. omschreef het zo: “We zijn te veel bezig om een emotionele bodemloze put te vullen”. Vooral jongens worden opgevoed met als je maar goed presteert, dan hou ik van je. Die driften worden geïnternaliseerd. En dat beïnvloedt al het handelen. Zo wordt je graaier”!  

Maar kan dit dan allemaal ongestraft doorgaan?

Ik vrees dat het antwoord hierop ‘ja’ zal zijn. Tenzij er in de toekomst maatregelen worden getroffen en de wetgeving op het gebied van het toezicht op het functioneren van de top van maatschappelijke organisaties die worden gefinancierd met gemeenschapsgeld wordt veranderd. Het veel geroemde ‘op afstand zetten’ van organisaties die door maatschappelijk geld worden gefinancierd, heeft gefaald. Er bestaat geen directe beoordelingsrelatie (meer) tussen de afnemer, de kwaliteit en de prijs (kosten) die voor een product moet worden betaald.

Consumenten kijken graag naar programma’s gefinancierd uit publieke gelden als De wereld draait door, Pauw en Witteman, De schreeuw van de Leeuw, Kassa en Radar. Maar als ze zich zouden realiseren dat de presentatoren ervan beloningen incasseren tussen de € 200.000 en € 500.000 per jaar zouden ze zich, als de rekening rechtstreeks aan de kijker zou worden gepresenteerd, nog wel een keer bedenken voordat ze afstemmen op dat ‘leuke programma’.     

Maar wat kunnen we daar, ook op lokaal niveau vanuit de gemeenteraad, aan doen?

De mogelijkheden tot controle en correctie zijn natuurlijk zeer beperkt. Toch is het raar dat een gemeentebestuur verantwoordelijk wordt geacht voor het realiseren van voldoende betaalbare huurwoningen, voor het bieden van goede zorg aan haar inwoners die dat nodig hebben, voor het bestaan en in stand houden van goed onderwijs, voor adequaat en bereikbaar openbaar vervoer, terwijl zelfstandige bestuursorganen in de non-profit-sector volledig autonoom  zijn in de uitvoering van deze maatschappelijk belangrijke taken.  

Toch klaart er hoop voor de toekomst. Zo heeft minister Blok onlangs een nieuwe wet naar de 2e kamer gestuurd waarin corporaties en gemeenten in de toekomst  afspraken moeten maken over wat lokaal nodig en mogelijk is. De corporaties moeten terug naar hun kerntaken: het huisvesten van mensen met lagere inkomens en het beheren en in stand houden van vastgoed dat daarmee samenhangt. Aan leden van raden van toezicht worden kwaliteitseisen gesteld. De minister kan ze bij wanprestaties schorsen en op hun ontslag aansturen. Directeuren zullen toestemming moeten vragen aan de raden van toezicht bij plannen om hoge investeringen te doen. Ik zou er aan toe willen voegen dat directeuren en leden van raden van bestuur voortaan niet alleen beoordeeld  worden op hun kennis en kunde maar ook gescreend worden op de hoogte en reikwijdte van hun persoonlijke behoeften. De samenleving heeft niets aan goudzoekers in maatschappelijk zeer verantwoordelijke functies. Dit geldt overigens niet alleen voor woningcorporaties maar ook voor alle andere zelfstandige bestuursorganen die werken met maatschappelijk geld. De zorg, huisvesting, onderwijs enz.  

Maar ook bij de politiek op lokaal niveau dringt langzamerhand door dat de gegroeide ongezonde situatie aangepakt en voorkomen dient te worden. Zo heeft de gemeenteraad van Bergen op Zoom op 19 juni met steun van de BSD-fractie dit jaar een motie aangenomen, ingediend door de fractievoorzitter van de PvdA, om de Wet Normering Topinkomens ook van toepassing te verklaren op de hoogte van vergoedingen aan ingeleende professionals bij de gemeente. Hiermee wordt uiting gegeven aan de wens van de politiek om meer/weer zeggenschap te krijgen over uitwassen in ‘beloningsland’. 

Er is al te veel maatschappelijk geld uit de grote belastington gegraaid. Diegenen die zich hier aan schuldig hebben gemaakt hebben zichzelf verrijkt maar geven er tegelijk blijk van geestelijk en sociaal buitengewoon arm te zijn. Het graaien dient zo snel mogelijk te worden gestopt.  

Genoeg is Genoeg! 

Piet van den Kieboom   

 


 

| VERZONDEN BRIEVEN |

 

Lees hier:

18 juni 2014 – “GOED OP SCHEMA”, KENMERK LK/14034

18 juni 2014 – DIVERSEN 2014-5, KENMERK LK/14035

 


 

Boekenlegger op de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *