KLIMAATAKKOORD/ RAADSPRAAT – 2/ BEGROTING 2019, DEEL 1/ ERGERNISSEN – 3

| jaar 5 | nummer 236 |

| 07-10-2018 | 11.00 uur |


 

| KLIMAATAKKOORD |

 

Voor het eerst in 30 jaar ben ik weer eens naar een congres geweest dat door de VNG georganiseerd werd. Een eerdere ervaring had mij geleerd dat het, met uitzondering van de kwaliteit van het eten en drinken, verloren tijd en moeite was. Het onderwerp ‘het klimaatakkoord,’ waar ik als waterschapbestuurder intensief betrokken bij ben, sprak mij zeer aan. Ook de locatie: het Muntgebouw in Utrecht. Het gebouw stelde mij niet teleur. Het Muntgebouw is een bezoek aan Utrecht al waard. Het congres was een teleurstelling.

Veel raadsleden, commissieleden en wethouders en een handvol burgemeesters vertegenwoordigden hun gemeenten. Ook de verantwoordelijke minister Eric Wiebes was aanwezig en deed een halfslachtige poging vragen te beantwoorden. Een regeerakkoord en een klimaatakkoord en tal van ideeën over maatregelen, maar geen antwoorden met betrekking tot het wie, wat, waar, wanneer noch over hoe de maatregelen betaald gaan worden.

Ik woonde de werksessie over de maatregelen voor de landbouw bij. De maatregelen ten aanzien van het grondgebruik door de landbouw sluit het beste aan bij mijn bestuurlijke activiteiten als waterschapbestuurder. Die werksessie was voor mij ook een teleurstelling. Het leek of in Nederland alleen maar in veenweidegebieden landbouw wordt bedreven en er hooguit ook een beetje glastuinbouw is. Mijn pogingen de discussie breder te trekken waren tevergeefs. De VNG ‘deskundigen’ bleken, net als 30 jaar geleden, vooral gericht op de randstad en een klein beetje Friesland (ook deels veenweidegebied). De onnozelheid/onbekendheid met het onderwerp onder de bezoekers is verbijsterend groot. Als voorbeeld een burgemeester van een glastuinbouw gemeente denkt in alle ernst dat als het bij Shell opgevangen CO2 gas in de kassen terecht komt aan de doelstelling grotendeels is voldaan. Terwijl uit metingen blijkt dat 75 tot 90 % van dat gas niet door de planten wordt opgenomen, maar uiteindelijk gewoon uit de kassen ontsnapt naar de buitenlucht. De extra concentratie van CO2 gas geeft wel een snellere groei van de gewassen.  Wat mij ook opvalt is de éénzijdigheid van de discussies. Beperken CO2 uitstoot en de vastlegging van CO2 in hout en andere gewassen. Nu is daar niets mis mee, maar moeder aarde heeft, door de miljoenen jaren van haar bestaan, op twee manieren CO2 vastgelegd. Door plantengroei wat leidde tot aardgas, aardolie, steenkool, bruinkool en veen en door het chemisch vastleggen van CO2 wat leidde tot tal van steensoorten en steenzouten. Er lijkt totaal geen oog voor mogelijkheden die chemisch vastleggen zou kunnen bieden.  

Het verbaast mij dat politici schijnen te denken dat het stellen van doelen, zonder het wie, wat, waar, en hoe het betaald gaat worden, genoeg is. Ze vergeten dat het stellen van de dieseluitstoot doelen, zonder te weten wie, wat, waar en hoe ook niet heeft gewerkt. En vindingrijkheid vooral werd gericht op misleiding van de kopers en de overheden.

Het enige idee dat mij direct aansprak is de maatregel dat gemeenten en mogelijk ook andere overheden jaarlijks het bomenbestand met 1 % zouden moeten uit gaan breiden. Dat is in ieder geval ook een bijdrage aan de aanpak van hittestress.

Louis van der Kallen

 


 

| RAADSPRAAT – 2 |

 

Directeur verlaat ‘in goed overleg’ afvalbedrijf Saver. In het BN artikel over dit vertrek staat:  “Gemeenten uitten de laatste jaren kritiek op de Saver-directie omdat de kosten opliepen en het uit te keren dividend tegenviel. Het rendement leed mede onder de hoge investeringen in een kringloopcentrum en sorteerlijnen.”

In de raadscommissie Bestuur, Veiligheid en Samenwerking werd, door een collega raadslid, opheldering gevraagd. Investeringen die geen rendement opleveren en leiden tot tegenvallende dividenduitkeringen, hoe zit dat? De kersverse wethouder had geen antwoord paraat. Hij verzekerde wel dat de tarieven niet meer zouden stijgen dan de inflatie.

Saver had eind 2017 een eigen vermogen van bijna 26 miljoen en een schuld van ruim 8 miljoen en maakte in 2017 een winst van ruim 7 ton. Dat was ongeveer de helft van de winst in 2016. Met een solvabiliteitsratio van bijna 75 % is Saver een financieel solide gemeentelijke activiteit. Zeker als je naar de gemeente Bergen op Zoom kijkt waar de solvabiliteitsratio volgens de begroting 2018 maar 11 % is. De regelgeving omtrent afvalverwijdering en de bekostiging daarvan is helder. De tarieven voor burgers mogen maximaal kostendekkend zijn. Als Saver alleen afval van burgers zou ophalen mag er dus geen winst op worden gemaakt. Alleen op de activiteiten voor bedrijven mag er sprake zijn van winst. Door Saver op te richten hebben vier gemeenten feitelijk een constructie gemaakt die het mogelijk maakt om via een omweg wel winst te maken en maakt die winst een onderdeel uit van de gemeentelijke begroting. Zelfs zodanig dat wethouders namens hun gemeenten een punt begonnen te maken van die ‘tegenvallende dividenduitkeringen’. Is dat terecht?

Afvalinzamelingsbedrijven, zoals Saver, die feitelijk namens de gemeenten een gemeentelijke taak vormgeven, lopen tegen stijgende verwerkingstarieven aan. De afvalverwerkende bedrijven, zoals verbrandingsovens, krijgen steeds zwaardere milieueisen opgelegd. De normen voor rookgassen zijn de afgelopen jaren steeds moeilijker te halen geweest en hebben geleid tot stevige investeringen om aan de eisen te voldoen en daarmee tot stijgende tarieven. Uitwijken naar het buitenland met het afval is ook moeilijker geworden door allerlei vervoers- en importbeperkingen. Denk aan China die opeens geen plasticafval meer importeert. Ook de investeringen in kringloopcentra en sorteerlijnen zijn maatschappelijk en wettelijk gewenst c.q. afgedwongen. Het afzweren van allerlei milieubelastende activiteiten leveren meerkosten op. Het langzaam maar zeker overschakelen op meer elektrisch in plaats van diesel kost meer zonder dat het effectiever wordt. Maar ook de eisen aan fijnstofuitstoot en vermindering van de CO2 uitstoot maakt het werken voor Saver duurder zonder dat het efficiënter wordt.

De samenleving moet circulair worden. Bedrijven als Saver vullen die wettelijke en maatschappelijke eisen in. Dat maakt het werk voor die bedrijven duurder. Dat zal de samenleving moeten accepteren. En daarmee de politiek. Niet die bedrijven veranderen de regels, waardoor het voor die bedrijven duurder wordt hun werk te doen, dat doet de (landelijke/Europese) politiek. Het blind opleggen van tariefeisen is kortzichtig en leidt nu tot het, vast kostbare, vertrek van een directeur die samen met zijn personeel in 18 jaar een gezond bedrijf heeft opgebouwd. Die stap voor stap aan de eisen, die wet en regelgeving en de samenleving hebben gesteld aan de bedrijfsvoering, inhoud heeft gegeven. Eisen stellen aan winst, die gezien de regelgeving (maximaal kostendekkend) op de inzameling en verwerking van huishoudelijk afval verbiedt, is niet dienstbaar aan de uiteindelijke kwaliteit van die dienstverlening. Helaas kosten allerlei milieu- en duurzaamheidsverlangens geld. Ik bedank de scheidende directeur van Saver dat hij Saver, samen met het personeel, heeft gemaakt tot wat het is en dat hij altijd bereid was aan raadsleden zoals ik uit te leggen wat en waarom Saver iets deed.  Mijn verzuchting is dat het er op lijkt dat de politiek alleen nog maar draait op ‘wat kost het?’ en niet op hoe maken we de samenleving beter?  Wat een overheid doet kost helaas geld. Waar het om moet gaan is dat de overheid voor dat geld van de burgers een goede prestatie levert en dat organisaties als Saver in staat worden gesteld dat te doen. Uiteindelijk zijn het wethouders die de investeringen die ‘niet renderen’ in aandeelhouders en in raden van commissarissen akkoord hebben bevonden.
Of komt het dat er na de verkiezingen van afgelopen maart deels weer een lading wethouders is aangetreden die, omdat ze niet meer kennis hebben, de trom roeren van het enige wat ze wel snappen: ‘wat kost het’? En het moet lager. Wat mij betreft is hier sprake van veel boter op het hoofd.

Louis van der Kallen

 


 

| BEGROTING 2019, DEEL 1 |

 

De meerjarenbegroting 2019-2022 van de gemeente Bergen op Zoom is er weer. Een boekwerk vol cijfers en (goede) voornemens. Mijn bijzondere belangstelling gaat dan altijd uit naar de teksten over de economie en werkgelegenheid. De afgelopen jaren schreef ik daar met regelmaat over.

In oktober 2016, na het verschijnen van het “Magazine Midsize Brabant, een verkenning van de toekomst voor Brabantse middelgrote steden”, belichtte ik de groei van het aantal arbeidsplaatsen per middelgrote gemeente in Brabant tussen 1998 en 2013 en de droevige groei van de werkgelegenheid in Bergen op Zoom :
– Helmond               27,5 %
– Oosterhout            19,6 %
– Waalwijk               17,5 %
– Veghel                  15,5 %
– Roosendaal            12,2 %
– Bergen op Zoom      3,9 %
– Uden                       3,8 %
– Oss                         2,1 %

Gemiddeld was de groei in deze gemeenten 12,7 %.

In februari 2017, na het verschijnen van “Rapportage 2015-2016 economische structuurversterking Delta-regio”, schreef ik in een artikel over de economisch ontwikkeling: “Bergen op Zoom met het hoogste percentage WW-ers (6,6%) van West-Brabant zal nu echt vaart moeten gaan maken. Kijkend naar de cijfers in de rapportage valt op dat de werkgelegenheid in de Brabantse Wal gemeenten zich sinds 2008 desastreus hebben ontwikkeld. Deze gemeenten zijn de enige regio in Zuidwest Nederland waar de werkgelegenheid is gezakt tot onder de werkgelegenheidscijfers van 2006 (- 4%)”.

In mei 2017 besteedde ik in een artikel aandacht aan een Rabobank publicatie wat een overzicht gaf van de stadsgewesten in Nederland (samengesteld op basis van woon-werkverkeer). In het ‘stadsgewest’ waar het Rabobank artikel ons met Tholen, Steenbergen, Halderberge, Rucphen, Woensdrecht en Roosendaal indeelt, is Roosendaal aangeduid als het centrum! De ‘klapper’ was wel dat de schrijver van het artikel (Frits Oevering) Bergen op Zoom, samen met Assen, Katwijk en Venlo, vermeldt als ‘uitdovende sterren’ die op basis van de vermelde stedelijke functies geen stedelijk karakter meer hebben en feitelijk sinds 1950 hun stedelijk karakter verloren hebben.

In april 2018 schreef ik: “Gaan we de richting uit van een slaapstad? Het scenario als we geen nieuwe bedrijventerreinen willen ontwikkelen. Of gaan we als industriestad, als een Feniks uit de as, herrijzen uit de teloorgang van de metaalindustrie, de tabaksindustrie en het sluipende verlies aan arbeidsplaatsen, de afgelopen 20 jaar, in onze chemisch industrie. Als we voor het Feniks scenario kiezen: wat wordt dan onze vernieuwings- of terugkeerstrategie?”

In de meerjarenbegroting 2019-2022 is te lezen “wij streven naar een toekomstbestendige, sterke, gezonde werkgelegenheids(infra)structuur”. De vraag is dan wat is een ‘toekomstbestendige, sterke, gezonde werkgelegenheids(infra)structuur’? Voor mij is dat onder andere voldoende zorgen voor (nieuwe) bedrijven beschikbare gronden! Het college schrijft daarover: “We stimuleren vraaggestuurde ontwikkelingen op bedrijventerreinen (en regio). We starten met de Schans 6E fase, faciliteren waar mogelijk strategische bestaande voorraad en stellen de Ster bij Lepelstraat planologisch beschikbaar voor ontwikkeling.”
In gewone mensentaal: we verkopen wat we hebben, we verwijzen bedrijven naar de omliggende gemeenten, we ontwikkelen zelf Schans 6, we proberen derden te helpen met het slijten van leegstaande panden of terreinen en we staan een ontwikkelaar toe de Ster voor eigen rekening te ontwikkelen.

De eventuele ontwikkeling van de Schans 6 als bedrijventerrein heeft slechts een beperkte invloed op de economische ontwikkeling en productiviteit van Bergen op Zoom, omdat dit terrein, gelegen naast een (toekomstige) woonwijk, een lage milieucategorie zal kennen (milieu klasse 2 of hooguit 3). Dus geen industrie met productieve banen, maar vermoedelijk relatief veel logistiek met weinig banen. Voor de economische ontwikkeling van Bergen op Zoom zijn tientallen hectares nodig waar ook de industrie zich kan vestigen (milieuklasse 4 en 5).

Over de Ster van Lepelstraat verschenen in de BSD nieuwsbrief al meerdere artikelen in september 2017 over een vallende Ster en in december 2017 over de communicatie over de Ster.
Nu de gemeente zelf de Ster niet gaat ontwikkelen, is de kans dat de Ster bij Lepelstraat echt ontwikkeld gaat worden een stuk kleiner geworden. Er zijn veel eigenaren, veel omwonenden en daarmee veel belanghebbenden die de ontwikkeling van de Ster niet zien zitten. En gelijk hebben ze! Een bedrijventerrein op die locatie is het werk van ‘gekken’. Maar misschien is het een strategisch slimmigheidje van GBWP. Een groot deel van de gemeenteraad wil meer bedrijventerreinen, omdat de huidigen vrijwel zijn uitverkocht. De GBWP ‘oplossing’: je staat een ontwikkeling toe die simpelweg onhaalbaar is. Tegen de tijd dat dit blijkt en de werkloosheid verder is opgelopen, kan je anderen (falende ontwikkelaars) de schuld geven en heb je weer 10 jaar ‘gewonnen’.

Feitelijk heeft Bergen op Zoom haar stedelijke functie (werkgelegenheid en koopcentrum), door dit soort vertragingstactieken grotendeels verloren. Voor werk gaan de Bergenaren naar elders! Een ‘stad’ met meer uitgaande dan inkomende pendel is in economische zin geen ‘stad’ meer. En gezien de structurele onderontwikkeling van de werkgelegenheid, moet ik constateren dat Bergen op Zoom een slaapstad is geworden en die slaap steeds dieper is geworden. Met ‘dank’ aan GBWP dat Halsteren wil vrijwaren van alles wat op industrie lijkt. De VVD, de zelfverklaarde ondernemerspartij, stond er bij en liet het gebeuren om toch vooral maar een wethouder te mogen leveren. De rol van slippendrager schijnt ze beter te passen dan te staan voor werkgelegenheid en (industrieel)ondernemerschap.

Nu Gertjan Huismans uit de VVD fractie is getreden en Fractie PUNT is gestart denk ik dat er een kans is dat het ware VVD geluid (voor de toekomst zijn voldoende bedrijventerreinen noodzakelijk en daar hoort de Auvergnepolder bij) niet alleen voor de verkiezingen gehoord gaat worden, maar ook daarna. Hij vindt dat “er werk aan de winkel is” en daar maakt hij en de BSD een PUNT van.

Louis van der Kallen

 


 

| ERGERNISSEN – 3 |

 

Een ondernemer die zich niets aantrekt van de beperkingen van voetgangers. De stoep is echt geen parkeerplaats.

Het gaat niet vanzelf over! Past u als burger wel even op.

Louis van der Kallen

 

STEUN ONS DOOR DE BSD FACEBOOKPAGINA LEUK TE VINDEN

 


Boekenlegger op de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *