WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING DE WMO

 


 

Belangrijkste doel WMO:

Iedere burger, jong of oud, gezond of met een beperking moet deel kunnen nemen aan de samenleving. De eerste verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de burger zelf. Maar als die om wat voor reden dan ook daar niet zelfstandig toe in staat is, dient de gemeente als compensatie voorzieningen te treffen die het “meedoen” wel mogelijk maakt.

De zorg in Nederland is continue ingrijpend aan het veranderen. De gemeenten hebben een belangrijke rol in alle niet direct medisch georiënteerde zorgtaken.

Het (laten) bieden van vormen van huishoudelijke zorg, het aanbrengen van woningaanpassingen ten behoeve van het zelfstandig wonen, het aanbieden van vervoersvoorzieningen om mobiel te kunnen blijven, het bieden van ondersteunende en activerende begeleiding zijn een verantwoordelijkheid van de gemeentelijke overheid.

Met ingang van 1 januari 2015 wordt de gemeentelijke verantwoordelijkheid fors uitgebreid. Hoewel de WMO zich richt op alle inwoners, zijn de voorzieningen als compensatie vooral bedoeld voor mensen met een lichamelijke, verstandelijke, psychiatrische en of psychosociale handicap. De gemeente dient te waarborgen dat mensen in kwetsbare posities in geval van nood altijd een beroep kunnen doen op professionele ondersteuning, met een goed vangnet van (ambulante) hulp, ondersteuning en opvangvoorzieningen!

De BSD is groot voorstander om bij het ontwikkelen van het WMO-beleid en de uitvoering ervan nauw overleg te hebben met deze doelgroepen of haar vertegenwoordigers. Probleem kan zijn dat niet al deze doelgroepen georganiseerd zijn. Daarom zal er actief een “klankbord” gevormd moeten worden om deze kwetsbare burgers te betrekken bij de ondersteuning van hen.

De burger wordt, in ons zorgsysteem, geacht eigen verantwoordelijkheid te nemen en te dragen.

Uit onderzoek blijkt dat minstens 50% van de mensen nu het gevoel heeft door de bomen het bos niet meer te zien en bang is verkeerde keuzes te maken. Gevolg daarvan is dat een grote groep mensen, ondermeer ouderen, onnodig en ongewenst verstoken blijven van voorzieningen. Dit kan leiden tot rechtsongelijkheid. Uit de ervaring van zorgconsulenten blijkt dat een belangrijk deel van de zorgvragers niet durft op te komen voor hun recht op zorg.

Een gemeente met oprechte aandacht voor zorgwensen en algemeen welbevinden van haar burgers moet zich actief inzetten op het terrein van

vraag en aanbod en zal handhaving en controle op de uitvoering van deze nieuwe taken moeten organiseren.

Het gemeentebestuur zal, in samenspraak met de zorgbehoevenden of hun vertegenwoordigers, dus vanuit het perspectief van de zorgvrager, een samenhangend stelsel voor ondersteuning moeten ontwikkelen. Een niet gemakkelijke taak omdat de gemeente in haar beleid meerdere petten op moet zetten. Niet alleen de pet van regisseur, maar ook de pet van indicatiesteller, financier, aanbieder en persoonlijk adviseur.

Deze diverse petten kunnen ook belangenverstrengeling met zich meebrengen.

Voor het uitgangspunt dat burgers de regie over hun leven in eigen hand houden, is een samenhangend beleid nodig waar zoveel als mogelijk wonen, zorg en welzijn “Op Maat” wordt geleverd om burgers zo lang als mogelijk te laten wonen in de eigen omgeving zodat zij kunnen blijven deelnemen aan het maatschappelijk verkeer in hun directe omgeving.

De wet laat de gemeente ruimte voor eigen lokaal beleid. De gemeente heeft als budgethouder tevens beleidsvrijheid. Het gevaar hierbij is dat rechten en kansen van zorgvragers ondergeschikt gemaakt worden aan kostenbeheersing naast toevallig op dat moment in beeld zijnde politieke stokpaardjes.

Diezelfde beleidsvrijheid geldt voor inhoudelijk beleid, onafhankelijk toezicht en zaken als medezeggenschap, (cliëntenparticipatie), klachtopvang en andere beroepsmogelijkheden ingeval een zorgvraag niet wordt gehonoreerd.

Verschraling van de zorg tot het niet toekennen van zorg brengt de zorgvragers dan weer terug achter de geraniums of nog erger opname in een instelling.

Tegelijkertijd biedt de WMO biedt echter ook veel kansen.

Er worden lokale antwoorden gegeven op vragen als:

  • Wat kunnen mensen zelf, tot waar gaan hun eigen mogelijkheden en verantwoordelijkheden
  • Wat zijn de mogelijkheden en verantwoordelijkheden van de directe omgeving (familie, vrienden en buren)
  • Wat is er nodig om als burger met een handicap als volwaardig burger te participeren.

Om wetgeving, gezondheidsnota’s, ruimtelijke ordening en cliëntenvraag aan elkaar te knopen, stelt de BSD vast dat de volgende randvoorwaarden nodig zijn: “Welzijn” en “Zorg” als facetbeleid bij plannen van het gemeentelijk beleid! Bij iedere paragraaf een aanhangsel waarbij de facetten “Welzijn” en “Zorg” gerichte aandacht krijgen.

Aan dit facetbeleid kan ook nog een extra impuls gegeven worden door voor een aantal jaren een aandachtsfunctionaris aan te stellen. Deze aandachtsfunctionaris kan met de in de wet genoemde toetsingscommissie (gebruikersorganisatie) het beleid van de gemeente mede gestalte geven. Ook kan de aandachtsfunctionaris in samenwerking met de gebruikers van welzijnsvoorzieningen en zorgvragers

een aanzet geven tot kanteling van het aanbodgerichte welzijnsbeleid naar een vraaggericht WMO beleid.

De zorgvraag van de verschillende doelgroepen zal goed in beeld moeten worden gebracht wil men als gemeente een vraaggericht en samenhangend stelsel van ondersteuning kunnen bieden.

Essentieel voor de gemeente is de kennis over wat men, voor welke gebruiker,

gaat organiseren. Begrippen als cliëntondersteuning, cliëntparticipatie, zorgplicht enzovoort zullen verder helder uitgewerkt moeten worden.

Vanuit deze kennis zal de gemeente een monitoringssysteem moeten ontwikkelen waarin signalen van de zorgvragers en aanbieders opgevangen en onderzocht worden en specifiek voor de GGZ crisisopvang en hulpverlening beoordeeld worden.

De gemeente dient de toekomstige vraag naar woningen en voorzieningen in beeld te brengen. In samenspraak met woningbouwcorporaties zullen er transparante en afrekenbare afspraken gemaakt moeten worden over het aantal aangepaste woningen en over de verscheidenheid in de te bouwen woningen (aanleunwoningen, 50+ woningen, wonen met zorg).

Ook met de thuiszorginstellingen zullen soortgelijke afspraken gemaakt moeten worden, met name over zorgverlening in noodsituaties.

Tevens zal er een ‘huisuitzettingsprotocol’ ontwikkeld moeten worden waardoor mensen met, soms tijdelijk, niet aangepast gedrag, of financiële problemen niet zomaar uit huis gezet kunnen worden.

De WMO blijft van politici, ambtenaren en gebruikers de komende tijd het uiterste vergen. Vanuit de gemeente zal men dan ook door moeten gaan met extra aandacht geven aan informatie, advies en ondersteuning van burgers bij het verkrijgen van de benodigde voorzieningen.

Naast een duidelijk herkenbare loketfunctie of consultatiepunt moet jaarlijks een geactualiseerde WMO gids, met alle informatie over zorg- welzijn en woonmogelijkheden op regionaal, lokaal of zelfs wijkniveau, zo breed mogelijk verspreid worden.

Voor realisatie van beleid is het nodig dat de belangenbehartigers en/of zorgvragers actief deelnemen in de hele besluitvorming en uitvoering.

De gemeente dient de ondersteuning van de zorg door vrijwilligers en een goede samenhang in het vrijwilligerswerk te faciliteren!

Met de komst van de WMO is een groot gedeelte van de persoonlijke welzijnsverhogende dienstverlening van hulp in de huishouding tot ondersteunende en begeleidende activiteiten in handen van de gemeente gekomen. De gemeente, met haar regisseursrol, verwijst naar haar partners in de zorg, de thuiszorginstellingen. Echter, gezien de stijgende vraag naar hulp- en dienstverlening op velerlei gebied, gaat dit de middelen die de gemeente in het kader van de WMO krijgt te boven. Gevolg hiervan is dat steeds meer mensen geen aanspraken meer kunnen maken op huishoudelijke verzorging, ondersteunende en activerende begeleiding.

Bovenstaande ontwikkelingen kunnen tot een onaanvaardbare en onbetaalbare

druk leiden op de, betaalde zorginstellingen.

De VNG heeft reeds jaren geleden laten weten dat ze vreest voor een tekort aan middelen. Het inzetten van vrijwilligers is niet echt een oplossing omdat die er gewoon niet altijd zullen zijn.

De kloof die steeds meer ontstaat tussen vraag en aanbod zal opgevuld moeten worden. Het kan niet zo zijn dat mensen die hulp vragen geen hulp meer krijgen omdat het budget van gemeente of zorginstelling het niet meer toelaat.

Er zal naar nieuwe financieringsmogelijkheden gezocht moeten worden.

Met de komst van het PGB (persoonsgebonden budget) in de zorg is er al een veranderde nieuwe financieringsmogelijkheid ontstaan tussen opdrachtgever (zorgvrager) en opdrachtnemer (de hulp- en zorgaanbieder).

Na de indicatiestelling zorgen onderlinge contacten tussen opdrachtgever en opdrachtnemer er voor dat, tot wederzijds genoegen, individuele contracten voor hulp- en zorgverlening worden afgesloten.

Voor het PGB geldt wel dat de financier, in geval het de gemeente betreft, de besteding van het door hen toegekende middelen controleert.

Een mogelijke oplossing zou kunnen zijn “de witte zorg en dienstverlener” (het systeem witte werkster).

Deze methodiek zou ook door de gemeente toegepast kunnen worden.

Na de indicatie waarbij de gemeente vaststelt hoeveel en welke zorg nodig is kan door de gemeente aan de opdrachtgever (zorgvrager) een geldbedrag worden gegeven waarmee de opdrachtgever zelf zorg in koopt.

Doordat de in te kopen zorg zonder belasting en sociale premiedruk goedkoper wordt, snijdt het mes aan twee kanten: de zorgvrager krijgt adequate vraaggestuurde zorg en de gemeente kan met hetzelfde budget meer zorg laten inkopen. Jaarlijks zal er wel door de opdrachtnemer aan de gemeente verantwoording over de bestedingen moeten worden afgelegd.

Basisvoorwaarde is dat de rijksoverheid meewerkt door inkomsten verkregen uit zorg- en dienstverlening tot een maximum bedrag vrij te stellen van belasting- en premieheffing.

 


 

 

Reacties gesloten.